Pim Lammers
  • Omhelzing

    Deze ode aan Dana International werd eerder gepubliceerd op Eurostory.

    In 1998 was ik vijf jaar oud, een leeftijd waarop je niet nadenkt over wat er buiten de muren van je eigen huis gebeurt. Mijn wereld bestond uit mijn speelgoed; het geven van namen aan knuffeldieren en het bouwen van Duplo-kastelen slokte al mijn aandacht op. Ik was wel oud genoeg om tv te kijken, maar te jong om 25 nummers op de bank te blijven zitten. Mijn moeder had mij waarschijnlijk ook al lang naar bed gebracht toen Dana International het podium betrad.

    Ik was er dus niet bij, maar stel het me wel graag voor: hoe iedereen keek toen ze naar voren liep, met haar armen gespreid alsof ze een omhelzing wilde inzetten.

    Ik stel me voor hoe die avond, op een vloerkleed voor de televisie, een meisje lag dat vanaf dat moment besloot om geen laaghangende spijkerbroeken meer te dragen en haar stekeltjeshaar te laten groeien tot lange, blonde lokken.
    Hoe, in een drukke woonkamer, een man zich in zijn bier verslikte en zich in de opmerking ‘transseksuelen zijn hetzelfde als travestieten’ vergiste.
    Hoe, verstopt op een slaapkamer, een jongen zichzelf herkende op televisie – eindelijk – en het de dag erna durfde te zeggen.
    Hoe een gesprek op gang kwam tussen studenten, die toen nog niet bekend waren met de gendertheorieën van Butler, maar ze al snel zouden verspreiden als belangrijke collegestof.
    Hoe, in een kroeg een man moest terugkomen op zijn eerdere statement dat een man nooit een vrouw kon worden en die avond verliefd werd.
    Hoe in talloze huiskamers erover werd gesproken, erover werd nagedacht en hoe honderden transgenders zichzelf op televisie zagen en samen met Dana International die avond wonnen.

    Ik kijk nu, bijna twintig jaar later, de beelden terug via YouTube. Via die website kun je niet alleen filmpjes van gamende of stuntende vloggers bekijken, maar gelukkig ook alle optredens van het Eurovisie Songfestival. Ik zie Dana International zingen – ‘Viva Maria, Viva Victoria, Aphrodita, Viva la Diva’ – en zie een symbool zingen.

    Die dag, in 1998, kreeg de LHBT-community er een symbool bij. Met name de T kon een rolmodel omhelzen, een omhelzing die werd ingezet toen Dana International het podium in Birmingham opliep. Ze liet de wereld zien dat de twee binaire hokjes Man-Vrouw niet vaststaan, maar doorbroken kunnen worden. Ze opende ogen en gesprekken, doorbrak taboes en liet zich niet uit het veld slaan door hatelijke opmerkingen of acties.

    Dat was niet altijd makkelijk voor haar, zoals toen ze in Israël lange tijd werd verbannen van televisie en radio. Ze zou een verkeerde invloed hebben op de Israëlische jeugd, een verkeerde boodschap overbrengen. Ze liet zich daardoor niet tegenhouden en met haar optreden tijdens het Eurovisie Songfestival bewees ze juist het tegendeel. Dana International is een pionier voor transgenders, een symbool voor de LHBT-community, een strijder voor transgenderrechten – en ook nu, jaren later, neemt ze die rol nog steeds graag op zich.

    Ik spoel het YouTube-filmpje terug naar het begin. Ik zie weer hoe ze het podium oploopt met haar armen in de lucht en stel me voor hoe de wereld haar toen omhelsde. Ook ik wil mijn armen om haar heen.

     

  • Papa, doe niet zo idioot

    Met deze column werd Pim genomineerd voor VPRO Bagagedrager. Er werd ook een filmpje bij gemaakt.

    Ik was elf jaar oud en deed mee aan Kinderen voor Kinderen met het liedje Papa, doe niet zo idioot. Twee dagen voor mijn optreden kreeg ik de baard in mijn keel, het einde van mijn onbegonnen zangcarrière. Mijn uitvoering ben ik gelukkig snel vergeten, maar het liedje zelf klinkt nog vaak door mijn hoofd.

    Pas twee jaar geleden kwam ik erachter waarom ik het refrein nog steeds kan meezingen; we waren al begonnen aan de stamppot andijvie toen mijn vader binnenkwam, hij ging zitten en schepte zwijgend op. Mijn zus en moeder waren druk in gesprek over de buurman die vreemd was gegaan en ik plaagde mijn broertje door zijn telefoon af te pakken en de laatste sms’jes hardop voor te lezen. Voor ons was het een normale avond. Dat veranderde toen mijn vader opkeek van zijn bord, iets wat hij normaal alleen deed om het zout te vragen.
    ‘De psychiater heeft autisme geconstateerd.’

    Ik heb op mijn kin een litteken van mijn eerste keer scheren en ik weet alleen hoe een stropdas gestrikt moet worden door een YouTube-tutorial. Mijn meester van groep 8 hielp mij gretig met seksuele voorlichting, mijn eerste biertje kreeg ik van mijn oom en praten deed ik met mijn moeder. Mijn vader was er wel, maar concentreerde zich vaak alleen op zijn bord eten. Er was nooit ruimte voor een gesprek.
    Na twintig jaar huwelijk kwam mijn moeder daar eindelijk achter, de enige uitweg voor haar was een scheiding. Eerst verliep mijn contact met mijn vader via haar:
    ‘Hoe is het met papa?’
    ‘Het gaat goed met je vader.’
    Na de scheiding kon ik haar die vraag niet meer stellen.

    Sindsdien ben ik één keer bij mijn vader op bezoek geweest in zijn nieuwe woning. Aan de muur van het vervallen anti-kraakappartementje hing een grote kaart; Europa, met een zwarte lijn van Groningen, waar hij woont, tot ergens onderin Frankrijk.
    ‘Wat is dat?’ vroeg ik hem.
    ‘Dat ga ik lopen, en dan slapen in een tentje.’
    Het liedje van Kinderen voor Kinderen klonk weer door mijn hoofd.

    Toen ik die avond thuis kwam, keek op internet naar de kaart van Europa. Mijn vader en ik begrijpen elkaar niet, we zijn te verschillend. Doordat wij nooit een vader-zoongesprek hebben gehad, of überhaupt een gesprek, weten we ook niets van elkaar.
    Ik weet alleen dat mijn vader geen idioot is. Ik wel, want ik ga met hem mee.

  • Aambeienzalf

    Deze column werd eerder gepubliceerd op ABCyourself.nl.

    Eva is tweeëntwintig jaar en weet hoe duur aambeienzalf is. 52 euro en 67 cent. Bij de apotheek houden ze niet van ronde prijzen. Het apothekersadvies dat ze bij de zalf kreeg kostte zes euro en veertien cent, en dat terwijl ze die twee minuten dat de man aan het woord was vooral wenste dat hij stopte met praten. Of, liever nog, dat zij daar een acute hartinfarct kreeg en dat ze de mensen achter haar niet meer aan hoefde te kijken. Ze is zich niet eerder zo bewust geweest van de mensen in één ruimte.

    Haar moeder vroeg zich af hoe ze eraan is gekomen: ‘Anale seks misschien?’ Haar tweelingbroer, student geneeskunde, wilde laten zien dat hij een negen had voor zijn aambeiententamen en kwam met allemaal feitjes: ‘Haemorrhoïden, opgezwollen en uitgezakte zwellichamen’. Daarna tikte haar zusje de term in op haar iPhone. Tante was nog nooit zo stil geweest tijdens een kerstdiner. Het enige geluid dat ze maakte, kwam van haar lepel met tiramisu die op haar bord kletterde toen Eva’s broer commentaar gaf bij een van de foto’s op het scherm van haar zusje: ‘Hier zie je hoe de uitstulpingen uit de anus komen.’

    De zalf helpt niet. De klachten, die Eva’s broer puntsgewijs bij langsgegaan was en waarna ze iedere keer ‘ja’ moest zeggen, zijn weliswaar minder, maar Eva gaat nog steeds elke avond meerdere keren haar bed uit om haar vinger weer onder de kraan te houden. ’s Nachts is ze wel het vindingrijkst om de jeuk te verminderen. Eén keer drukte ze er met haar nagel een kruisje in, zoals bij een vervelende muggenbult. Een make-upspiegeltje hield ze onder haar benen. Voor het eerst nadat haar eerste vriendje het uitmaakte, vier jaar geleden, moest ze huilen.

    Eva kan gelukkig gewoon zitten, ze heeft geen speciaal kussen nodig. In de brugklas was er een jongen die altijd met zo’n felrood kussen gevuld met pitjes onder zijn arm rondliep. Voor zijn rug, legde hij eens uit. Eva riep toen door de klas: ‘Ja ja, aambeien zitten niet op je rug!’ Hij is nog een jaar lang met dat kussen gepest en kreeg toen een soort harnas. Voor zijn rug. Eva wist in de brugklas nog niet dat ze op haar tweeëntwintigste zou weten hoe duur aambeienzalf is.

  • Triage à sec

    Dit essay werd gepubliceerd in VakTaal, tijdschrift voor internationale Neerlandistiek.

    ‘Het Nederlands is lomp,’ zei een Vlaams meisje eens tegen mij. Zij kan het weten, ze is een Vlaming. Niet alleen verstaan de Belgen alles wat wij zeggen, ze winnen ook ieder jaar Het Groot Dictee. Er kan niemand beter dan een Belg de Nederlandse taal beoordelen.
    Ik lachte en antwoordde, beïnvloed als ik ben door de Belgenmoppen die mijn oom op verjaardagen altijd vertelt en waar hij zelf het hardst om moet lachen, dat het Vlaams juist dom klinkt.

    Een paar dagen later moest ik erop terugkomen: ik had toen tien dagen op een zomerkamp doorgebracht met Vlamingen en was jaloers geworden. Ze zeiden dezelfde dingen, maar ze zeiden ze zachter, liever. Ze maakten alles intenser. Van het ontbijt, als ze om confiture vroegen, tot aan het slapengaan en ze mij ‘slaap wel’ wensten. Anders dan de Twentse of de Amsterdamse klanken, zorgen de Vlaamse voor een verrijking.
    Even wilde ik ook zo’n accent, maar na twintig keer ‘allee’ te hebben gezegd en mijn nieuwe Vlaamse vrienden telkens hard moesten lachen, gaf ik dat verlangen op.

    Die wens komt steeds weer terug wanneer ik word geconfronteerd met de lompheid van het Nederlands. Zoals laatst, toen ik weer een woord tegenkwam dat een Belg nooit bedacht kan hebben. Op een Amsterdams terras dronk ik samen met een vriendin wijn. Het was twee uur ’s middags, maar ook net lente, dus daar hadden we elkaar toestemming voor gegeven. We bespraken zinnelijke scènes, in de literatuur en in het echte leven.

    Ik begon en vertelde hoe voeten elkaar kunnen vinden, verborgen onder de tafel, en hoe daarmee alles gezegd kan zijn. Eén subtiele aanraking van een teen tegen een enkel, een voet van de een op die van de ander, zwaar drukkend of juist strelend. Het is een geheime ontmoeting tussen twee paar voeten die door begeerte worden gedreven. Het kan zich afspelen tijdens een romantisch etentje of juist tijdens een groot diner. In alle drukte, dwars door luidruchtige gesprekken, klinkende glazen en bestek op borden, laten die verliefde voeten dan alle geluiden verdwijnen.

    Bij gebrek aan een synoniem sloot ik mijn monoloog af met het woord ‘voetjevrijen’ en veranderde daarmee het vurige betoog voor meer romantiek in een puberaal gezeur. Het kinderlijke woord dekte niet de lading van dat wat ik wilde overbrengen. Ik klaagde dan ook meteen: ‘Hoe kan ik het nog mooi beschrijven als ik weet dat er ooit zo’n woord voor is bedacht?’
    De vriendin glimlachte en zei dat het bij dat woord nog meevalt en dat er ergere Nederlandse woorden waren. Even verder in het gesprek kreeg ze gelijk toen we onze volgende woordfrustratie tegenkwamen: ‘droogneuken’.

    Nu het woord hierboven genoemd is, is het erg lastig om nog te omschrijven wat het is. Of vooral om duidelijk te maken wat het kan zijn en kan betekenen. Met een woord als ‘droogneuken’ wordt het al snel iets ordinairs, iets dat je vlug doet zonder erbij stil te staan en zonder er echt van te genieten. Dit terwijl er geen enkele handeling tussen twee personen is waarbij verlangen naar elkaar zó duidelijk wordt. Het is lust gecombineerd met liefde. Het laat kleding vergeten, de wereld buiten, problemen. Alles verdwijnt en alleen een intense vurigheid blijft over. Het is nét geen seks, maar het komt dichter bij de liefde bedrijven dan het daadwerkelijke neuken.

    Precies daarom is ‘droogneuken’ niet het juiste woord. Misschien alleen als je het doet met iemand die je, na een aantal biertjes dat niet meer op twee handen te tellen is, hebt opgepikt uit een kroeg waar je overdag nooit zal komen. Gelukkig zijn daarvoor geen woorden nodig: de volgende ochtend doen we ons best dat allemaal weer te vergeten – als we dat niet al zijn.

    Ik heb het meerdere malen beschreven. Op papier, in gesprekken, in mijn hoofd, maar ik kan het nog steeds niet los zien van dat ene woord. Waarom zou ik nog iets beschrijven dat door een ander met één opmerking, één woord, totaal kan worden afgezwakt?

    ‘O, je hebt het over droogneuken.’
    ‘Nee, of ja, nou laat maar.’

    Ik wil er een ander woord voor verzinnen, een woord met de juiste connotatie. Niet een woord dat bijna een antoniem geeft.
    Ik heb nagedacht over andere Nederlandse woorden of woordcombinaties, maar mijn hoofd was net zo leeg als toen mijn lief mij vroeg om hem in één woord te beschrijven. ‘Jij bent de schrijver,’ zei hij er nog achteraan.
    Ik kon het ook mijn nieuwe Vlaamse vrienden vragen, maar zij hoefden alleen hun accent te gebruiken om het woord te veranderen. Ik zou dat na kunnen doen, maar ik weet dat dat nog moeilijker zal zijn dan bij ‘allee’.

    Vlamingen lenen Franse woorden om zwoeler te klinken, simpel jatwerk met een verbluffend resultaat. Helaas voelde ik mij te beschaamd om mijn Franse leraar van de middelbare school een berichtje te sturen. “Dag meneer Nijp, weet u misschien het Franse woord voor droogneuken?” zou ik nooit goed kunnen uitleggen.
    Gelukkig deed de gedachte aan mijn Franse leraar mij denken aan de werkstukken over Edith Piaf en Ozon en die op hun beurt weer aan Google Translate. Al gauw verscheen het op mijn beeldscherm: ‘triage à sec’. Drie zwoele woorden die samen één vloeiend begrip maken. Dit was precies waar ik naar op zoek was.
    Toen ik het vervolgens controleerde door het weer terug naar het Nederlands te vertalen, iets wat ik ook bij mijn Franse werkstukken altijd deed, verscheen er helaas: ‘droge sortering’.

    Die nacht lag ik wakker in mijn bed, nog steeds piekerend over een goed woord voor ‘voetjevrijen’ of ‘droogneuken’. Net op het moment dat ik het van frustratie uit wilde schreeuwen, drukte mijn nieuwe lief zijn lichaam tegen mij aan. Misschien is het gebrek aan een goed woord helemaal niet erg, bedacht ik toen. Misschien moeten we het niet benoemen, maar moeten het gewoon doen.

     

  • ‘Wat wil je later worden?’

    Deze column verscheen eerder op Leesfeest.nl.

    ‘Wat wil je later worden?’ vroeg mijn oma altijd op mijn verjaardag. Ze was niet de enige: ook andere grijze familieleden wilden het weten. En met kerst, zwemdiploma-uitreikingen, bruiloften, familiedagen en zelfs op begrafenissen werd de vraag steeds weer gesteld.

    Misschien was het niet zo gek dat mijn familie het iedere keer opnieuw vroeg: ik gaf ze altijd een ander antwoord.

    Mijn eerste antwoord was boer. De koe was mijn lievelingsdier en hoe konden er anders honderd koeien in mijn tuin rondlopen? Al snel vond ik boer een beetje saai. Cowboy, dat was wat ik later zou worden. Vanwege de koeien, maar ook omdat ik dan achter boeven aan mocht zitten. Mijn zus vertelde toen dat ik dan naar Amerika moest verhuizen. Dat wilde ik niet, niet zonder mijn moeder, dus koos ik voor mierencircusdirecteur. Mieren hadden we gewoon in onze achtertuin.

    Mijn vader vond een mierencircus geen goed idee. Volgens hem kon ik beter iets kiezen waar mensen wat aan hebben. Monsterjager dus, want iedereen is bang voor monsters! Na een inbraak bij de buren, ging ik niet meer op monsters jagen maar op boeven: Pim de politieagent. Ik wilde vanaf dat moment bij de politie, maar eigenlijk ook wel bij de brandweer en bij het leger.

    Daarna wilde ik juist iets heel anders worden: zanger. Zingen deed ik altijd al onder de douche, en alleen mijn zus schreeuwde dan dat ik mijn mond moest houden – zo slecht kon ik dus niet zijn. Maar ik werd al snel voor het eerst verliefd, op mijn beste vriend Nick. Dus toen hij vertelde dat hij profvoetballer wilde worden, wilde ik ook bij het Nederlands elftal. En toen zijn antwoord veranderde in danser, veranderde mijn antwoord ook. Een jaar later was ik niet meer verliefd en ging ik minister-president worden. Er waren genoeg problemen in de wereld die ik moest oplossen! En anders wilde ik ze ook wel oplossen als dokter, astronaut, wetenschapper, tovenaar, visser, buschauffeur, bakker, piloot, treinmachinist, tandarts, tandartsassistent…

    Het is nu later en mijn eerste boek is net uit, ‘Het lammetje dat een varken is’. Ik ben dus schrijver geworden. Dat was nooit een van mijn antwoorden. Of toch wel?

    Mijn eerste boek speelt zich af op een boerderij en ik was dus even een boer. Mijn tweede boek gaat over grote monsters en om dat te schrijven moest ik een echte monsterjager zijn. Nu ben ik bezig met een verhaal over voetballers en tijdens het schrijven zie ik mezelf naar een bal rennen, schieten en scoren! Binnenkort begin ik met een boek over cowboys en ik kan nu al niet wachten om achter de boeven aan te zitten.

    Als schrijver ben ik dus eigenlijk geworden wat ik altijd al wilde: alles!

  • Ontwerp en uitwerking door: August van de Ven