Pim Lammers
  • Zuidlaren

    Onderstaande stukken verschenen eerder op ABCyourself.nl en werden door Pim geschreven tijdens en over zijn (schrijf-)retraite in Zuidlaren.

    Godot

    Ik wacht.
    De tuin is groot, met vooral veel gras en maar één boom. Ik heb meer dan dertig minuten nagedacht over de naam, maar er hangen geen appels of kastanjes in. Ik kan een boom alleen herkennen aan zijn vruchten.

    Aan de ene kant van de tuin liggen weilanden en aan de andere kant staan bomen die samen een groot bos vormen. Precies zoals ik het had beschreven. Als ik dat nu weer doe, schrijf ik niets nieuws.

    Ik teken een hartje in het schrift voor mij. Op het net verschenen hartje na, zijn de regels leeg. Een vriendin vertelde eens dat ze alleen nog maar schriften en notitieblokjes koopt met een ruitjespatroon. Zo’n schrift lijkt met een paar woorden sneller vol. Een soort aanmoediging, hardlopers rennen ook sneller als ze applaus krijgen.
    Op dit moment wordt ik alleen aangemoedigd door de blaadjes boven mij.
    Diezelfde vriendin vertelde eens dat ze als zesjarige wilde kijken of hamsters konden zwemmen. Ze vulde eerst de badkuip, waarna ze de hamsters van haar zus uit hun kooitje haalde. Vanaf de kraan gaf ze eerst de ene hamster een duwtje, daarna de ander. Ze had ze eerst wel geaaid. Met haar kin op de badrand wachtte ze gespannen af.
    Ik heb het al eens gebruikt in een verhaal.

    Ik sta op en loop naar binnen voor een glas water. De fles wijn, die duurder is dan ik normaal zou kopen, zit nog dicht. Een dure wijn drink je alleen wanneer er iets te vieren valt. Wanneer je hem al gekocht hebt en je komt erachter dat er niets meer is om te vieren, mag je hem heel misschien aanbreken.
    Morgen, als ik lang genoeg gewacht heb, ga ik op zoek naar een kurkentrekker.

    Wanneer ik de kraan dichtdraai, hoor ik de radio. Heel zachtjes: Neun-und-neunzig Lufballons. Ik draaide vanmorgen een cd van Marco Borsato. Na afloop was ik bang dat ik alleen maar zinnen kon schrijven die door hem zijn gezongen. Ik zette de radio aan om ze te vergeten.
    Ik leun met mijn rug tegen het aanrecht en drink langzaam mijn glas leeg.

    Als ik weer onder de boom ga zitten, neem ik het schrift voor me. Het boek waarin ik niet verder durf te lezen laat ik in het gras liggen.
    Gisteren wachtte ik eerst binnen. Ik zat aan tafel, met het boek, het schrift en dichtbundels van Claus voor me. Nadat ik alleen maar hardop gedichten las, ging ik naar buiten. In de wachtkamer van de dokter lijkt wachten ook alleen maar langer te duren omdat je de hele tijd naar de klok staart.
    Met zwarte pen kleur ik het hartje in. Heel voorzichtig, binnen de lijntjes.

    Ik had verwacht dat het bij aankomst zou gebeuren. Anders de volgende morgen, bij het wakker worden en ik als nieuwe bewoner van dit huis de deur zou openen.
    Ik had niet verwacht dat ik nu nog zou wachten en onder een boom hartjes zou inkleuren.

    Ik kijk omhoog, de grote takken hangen gebogen over mij heen. Het zou me niets verbazen als de boom haar blaadjes zal loslaten.
    Ik wacht nog steeds.
    Vanaf nu zijn Vladimir en Estragon ook mijn vrienden.

    Er zijn

    Ik was de aardbeien een voor een onder de kraan, snijd ze door de helft, gesneden zijn het net kleine hartjes, en laat ze in een kom vallen. Ik houd mijn hand op dezelfde hoogte als waarop ze in Marokkaanse theehuizen heet water schenken en doe dat ook wanneer ik de aardbeien bedek met yoghurt, tot elke aardbei verdronken is. Als ik er een lepel door haal, verandert wit langzaam in roze.
    Zouden we vandaag zijn gaan wandelen? Ja, en je zou dan naar het grote weiland lopen om een paard te aaien. Ik was je gevolgd, ik heb een hekel aan paarden maar niet aan jou. Ik volg je door bossen, langs weilanden, via aangelegde paden en daar waar nog nooit iemand gelopen heeft, in ieder geval niet zoals wij. Of we zouden zwemmen in het meer waar we gisteren langs zouden zijn gereden en waarvan jij toen zou hebben gezegd dat als het weer het toelaat, je er meteen in springt.
    Niet alleen mijn zwembroek ben ik vergeten.

    Het regent, dus blijf ik binnen. Ik ga op de bank zitten en vraag aan de lege ruimte of jij mijn hoofd tussen je handen wil nemen, mij aan te kijken en te zeggen dat we er zijn.
    ‘Het is goed zo. We zijn er.’
    Kom dichterbij, laat je lippen mijn lippen zoeken en kus me dan. Verstop je gezicht in mijn nek, onze ogen gesloten.
    Wanneer ik je weer aankijk, raak dan met je vingertoppen mijn lippen aan, mijn wangen, mijn haren. Druk mijn hoofd naar beneden – voorzichtig, maar dwingend. Trek je shirt iets omhoog en laat me je daar kussen en mijn tong wegen vinden over jouw borst, je buik, tot bij je navel.
    Duw me naar achteren en laat je eigen lichaam volgen. Leg je lichaam op dat van mij en fluister mijn naam. Laat vingers eerst vingers vinden, polsen, onderarmen, schouderbladen en veel verder.
    Voel aan de stof van onze kleding en trek er zachtjes aan, zeg bij ieder afzonderlijk kledingstuk ‘uit’ en help me daarmee.
    Duw je tegen mij aan en laat mij de stof van onze onderbroeken vergeten. Laat voelen wat jij wil, voel wat ik wil. Zeg mijn naam en druk vingertoppen over mijn ribben, zonder te tellen en vlug naar beneden. Steek vingers onder het elastiek. Laat het naar onder glijden, tot aan mijn enkels.
    Duw mijn handen naast mijn hoofd. Klem je knieën tegen mijn lichaam. Blijf zo zitten. Zorg dat ik kant geen meer op kan. Laat je vallen. Breng je gezicht naar mijn gezicht. Open mijn lippen. Ruil van spuug. Bijt in mijn lip. Streel mijn oor met tong. Met woorden. Met alleen adem. Maak met je nagels sporen in mijn rug. Kus ze vervolgens. Zuig hard aan de huid van mijn hals. Zet je tanden in mijn schouder. Trek aan mijn haren. Zeg niet wat je wil. Doe wat je wil. Draai me om. Druk jezelf tegen mij aan. Zeg wat ik wil horen. Doe wat je zegt.  Duw jezelf naar binnen. Snel. Voorzichtig. Het maakt niet uit. Dring jezelf naar binnen. Nu. Dwing jezelf naar binnen. Nu. Geef. Laat gaan. Leef. Toon mij het plafond. Toon mij de muur. Toon mij het donker in het kussen. Schreeuw mijn naam.

    Ik fluister je naam, en laat hem daarna uit mijn lichaam en mijn hoofd verdwijnen. Hij belandt op mijn onderbuik en daarboven, tot aan mijn sleutelbeen. Eerst in vluchtige druppels, daarna in drie schokkende stralen.

    Ik denk dat ik je zo maar eens ga bellen.

  • Trainer

    Dit verhaal verscheen eerder op De Optimist.

    Voetballers herkennen de geur van wedstrijden. Of het nu kunstgras is of gezaaid, elk voetbalveld ruikt ernaar. Voordat de wedstrijd begint, plukken de teamgenootjes van Jasper een paar sprieten uit de grond, om die met hun vingers kapot te wrijven, de verkruimelde resten onder hun neus te houden en op te snuiven. Ze hebben dat een bekende voetballer eens zien doen.
    Jasper heeft niets met gras. Zijn zaterdagen ruiken naar de trainer. Zelfs nu, terwijl hij meters bij de trainer vandaan staat, ruikt hij de zware aftershave.

    Iedereen staat op zijn plek, Jasper linksachter. Hij is misselijk, gek genoeg wel op een fijne manier. De scheidsrechter, vader van een van Jaspers teamgenootjes, blaast hard op zijn fluitje. Het veld vult zich meteen met geschreeuw.
    De trainer heeft zijn armen in de lucht om aanwijzingen te geven. Een kleine streep buik komt onder zijn shirt vandaan.
    De eerste keer dat Jasper zijn wang daar tegenaan mocht drukken, was in de berging achter het veld. Ze hadden net met het team een wedstrijdje onderling gespeeld. Om de teams uit elkaar te kunnen houden, trok de helft van de groep hun shirt uit. De trainer ook. Na afloop liep Jasper met hem mee om de netten met ballen op te ruimen. De haartjes op zijn buik kriebelden tegen Jaspers lippen. Heel anders dan de haartjes op zijn wangen, die prikken.
    De trainer springt met zijn vuist in de lucht. Jasper slaat zijn armen om een teamgenoot heen, ook al heeft hij geen doelpunt gezien.

    De trainer is anders dan de vaders naast het veld. Hij is sterker en gebruikt woorden als ‘verdomme’ en ‘klootzak’. Eén keer riep hij zelfs ‘blinde homo’ naar de scheidsrechter. Ook de anderen uit het team vinden hem stoer, maar Jasper is de enige die zich in zijn buurt net zo zenuwachtig voelt als voor een spreekbeurt.
    Jasper rent een stukje naar voren, maar schreeuwt niet. De anderen mogen voetballen. Na gezigzag van benen rolt de bal toch zijn kant op. Hij moet nu snel de andere kant oplopen, weg van de bal, maar de trainer roept zijn naam.
    Omdat alle jongens uit zijn klas op voetbal zaten, wilde Jasper ook. Hoewel zijn moeder het niets voor hem vond, zei zijn vader dat het mocht, zolang hij er minstens één jaar op bleef. Bij de E’tjes zeurde hij tijdens het avondeten over de vervelende trainingen. Toen hij naar de D’tjes ging, kreeg hij een andere trainer.
    De agressieve voeten van een tegenstander laten de bal gevaarlijk dichtbij komen. Als Jasper hem vlak voor zich ziet, haalt hij uit. Een prachtige pass waar zelfs Cillessen jaloers op zou zijn. Zijn benen doen helaas nooit dat wat hij in zijn hoofd bedenkt en zijn voet glijdt over de bal heen. Alleen de noppen van zijn hak raken hem kort aan.
    De trainer moedigt alweer iemand anders aan. Hij zou het juist naar hém moeten roepen: ‘Goed zo, Jasper!’ En dat Jasper daarna, zoals zijn teamgenoten dat kunnen, de bal in het doel schopt.

    Als er voor de tweede keer gescoord wordt, loopt Jasper naar de reservebank. Het spel gaat ook zonder hem wel door.
    De trainer ziet hem aankomen en begint te lachen: ‘Heb je er weer genoeg van?’
    Hij legt zijn warme hand in Jaspers nek en knikt naar William, die meteen het veld op rent. De hand verslapt en glijdt naar beneden, over Jaspers beide schouderbladen en over iedere wervel van zijn rug.
    Iedere wedstrijd vraagt Jasper na een paar minuten of hij gewisseld mag worden. De trainer zegt er niets van en ook zijn teamgenootjes houden zich stil. Die paar minuten wedstrijd voordat hij op de bank mag zitten, zijn de minst leuke van de zaterdag. Nu is hij tenminste weer daar waar hij wil zijn, waar hij moet zijn.

    Stil zit Jasper op de bank, alleen zijn ogen roepen de trainer. Op de bal let hij niet, die gaat toch alleen maar over en weer. De trainer staat bij de lijn, zijn handen in zijn zij. Jaspers armen passen wel drie keer in die van de trainer. De spieren van zijn armen trekken zijn shirt strak om zijn lichaam, hij draagt een glad voetbalshirt van een club waar Jasper nog nooit van heeft gehoord. De trainer kan er zo voor spelen, dat weet hij wel. Later krijgt Jasper ook zulke spieren, dat zei de trainer eens.
    De trainer draait zich om en Jasper schuift vlug een stukje op. Hij gaat zitten, zijn voeten precies naast die van Jasper. De felblauwe Nikes naast Jaspers Scapino’s. Hopelijk krijgt hij dit jaar voor Sinterklaas eindelijk die dure schoenen van zijn moeder.
    Even kijken ze samen naar het veld, maar Jasper kan de bal niet volgen. Hij kan zijn wiebelende benen ook niet stilhouden. Voorzichtig schuift hij over de bank tot zijn been dat van de trainer raakt. Het been zit verstopt onder donkere, krullerige haartjes tot daar waar een korte trainingsbroek ze bedekt.
    De trainer reageert niet meteen, houdt zijn blik strak op de bal gericht. Pas als Jasper hem met zijn been voorzichtig een duwtje geeft, legt hij zijn hand op Jaspers knie. Eindelijk. Jasper voelt de hand tot in zijn wangen.

    Terwijl ze in het veld nog steeds tegen de bal trappen, houdt de trainer zijn vingers om Jaspers knie geklemd. Soms knijpt hij even, iets harder wanneer iemand uit hun team dichter bij het doel komt.
    ‘Goed zo!’ roept de trainer, maar hij blijft op de bank zitten. Zijn hand glijdt langzaam omhoog, tot het omgeslagen randje van Jaspers sportbroekje. De donkere haartjes op zijn vingers maken die op Jaspers bovenbeen nog blonder. Verder, de hand mag verder. Jasper trekt zijn broekspijpen iets omhoog.
    Hij kijkt opzij, naar de toeschouwers. Bijna iedereen uit zijn team heeft zijn vader of moeder meegenomen, goedkeurend kijken ze naar hun kind. Niemand ziet de reservebank. Toch zet Jasper zijn voet op de bank, het opgetrokken been als muur tussen hen en het publiek. Met zijn vingertoppen maakt de trainer achtjes over het bovenbeen van Jasper, die zijn hoofd op zijn knie legt en zijn ogen dichtdoet.
    De scheidsrechter blaast twee keer hard op zijn fluitje. Rust. Al bij het eerste snerpende geluid trekt de trainer zijn hand terug. Hij loopt naar de kleedkamers, gevolgd door de jongens uit het veld. Jasper blijft zitten, drukt met zijn duimen tegen de stof van zijn sportbroekje. Die geeft niet mee. Snel haalt hij een van de ballen uit het net naast de bank en houdt hem voor zijn kruis. Pas bij de kleedkamers heeft hij hem niet meer nodig.

    Na twee plastic bekertjes sinaasappellimonade, de Brinky die zijn moeder vanmorgen in zijn tas had gestopt en twee knipogen van de trainer, loopt Jasper weer naar de bank. Zijn teamgenootjes kregen geen knipogen, alleen bemoedigende woorden over goals en goede voorzetjes. Jasper wil ook de tweede helft op de bank.
    Zodra de trainer bij het fluitsignaal gaat zitten, voelt Jasper weer de hand op zijn knie. Zijn lichaam reageert meteen.
    Het duurt nu langer voor de hand naar boven glijdt. Jasper wil hetzelfde voelen als na de trainingen in de berging en hij beweegt ongeduldig zijn been. De hand reageert en schuift van zijn knie naar zijn bovenbeen. Alsof ze het hebben afgesproken, beginnen de vingertoppen weer achtjes te maken tot net aan de rand van zijn sportbroekje.
    Iedereen mag nu van het veld verdwijnen, de scheids, de voetballers, de ouders. En dat Jasper en de trainer dan alleen overblijven. Alleen met z’n tweeën op het veld.
    De ouders roepen. De hand laat even los om te klappen, maar blijft niet lang weg. Hij landt precies op de grens tussen huid en broekje. Jasper zakt iets onderuit. De hand doet wat hij wil en belandt in het midden van de warme stof van Jaspers sportbroekje. Als er nu wordt gescoord, zal hij het voelen.
    Het is de tegenpartij die scoort. De hand knijpt toch, zachtjes.

    De trainer schrikt niet, trekt zijn hand ook niet terug maar maakt van de zachte kneep een ritmisch bewegen. Een warm gevoel trekt kruipend door Jaspers lichaam.
    Dit mag langer duren, vaker gebeuren. Langer dan deze wedstrijd, vaker dan alleen de zaterdag en de dinsdag. De trainer lijkt het spel weer nauwkeurig te volgen, maar zijn hand maakt nog steeds de ritmische knijpbewegingen.
    ‘Doe je knie omhoog,’ fluistert de trainer.
    Jasper gehoorzaamt en met zijn duim drukt de trainer de rand van Jaspers sportbroekje iets omlaag. Jasper kijkt snel naar de ouders. Ze houden hun eigen kind in de gaten of praten met elkaar. Jasper kan niet horen waarover. De duim kromt zich onder het elastiek van zijn onderbroek.
    ‘Help je straks weer met het opruimen van de ballen?’ De trainer heeft zijn mond tot vlak voor Jaspers oor gebracht.
    Een tweede vinger verdwijnt verkennend onder de onderbroekrand. De vingers strelen de huid onder de stof, langzaam voelen ze aan de paar haartjes op Jaspers onderbuik.
    De schelle fluittoon komt onverwachts. Vingers trekken zich vlug terug en Jasper duwt zijn benen tegen elkaar. Zijn teamgenootjes lopen juichend naar de kleedkamer. Ze zijn klaar, ze mogen vandaag ook als winnaars naar huis.

     

  • Fijn jongetje

    ‘Vingers rond, tenen recht.’
    Na een vluchtig ‘tot zo’ leg ik de telefoon naast het tandenborstelbekertje en volg haar advies op. Onder de felle spiegellamp laat ik stukjes nagel door de badkamer spatten. De meeste belanden in de wasbak, tussen versteende tandpastaresten, een aantal op de mat.
    Ik woon nu een maand op kamers en heb al vijf keer mijn nagels geknipt: twee keer die van mijn tenen, drie keer die van mijn vingers. Toen ik nog thuis woonde deed mijn moeder het altijd voor mij. Volgens haar is er één belangrijke regel voor het knippen van nagels: die van de tenen óf die van de vingers moeten recht geknipt, de andere moeten rond. Welke van de twee onthoud ik nooit, alsof mijn hersens liever ruimte bewaren voor relevante zaken, zoals de televisieprogrammering van RTL5 op zaterdagavond.

    Ook de was is een grote uitdaging. De keuze tussen wol, katoen of synthetisch lukt nog wel, ik vergeet alleen het aantal graden. Altijd. Mijn moeder heeft alle labeltjes met wasvoorschriften en andere handige icoontjes uit mijn kleding geknipt. ‘Dan kriebelt het niet zo.’ Ik weet zeker dat ze dat gedaan heeft zodat ik haar vaker bel en de afstand tussen hier en Makkinga iets minder groot is. Niet dat het knippen van de labeltjes nodig was.
    ‘Is het gelukt?’ vraagt mijn moeder als ik haar weer bel.
    Ik kijk naar mijn pink, de kleine nagel lijkt langzaam in het vlees te verdwijnen. Ik moest hem twee keer knippen, de eerste keer had ik mijn moeder nog niet gebeld en dacht ik dat het recht moest.
    ‘Ja, perfect,’ antwoord ik. ‘Rond, zoals je zei.’
    ‘Fijn jongetje,’ zegt mijn moeder. ‘Dan ga ik nu weer aan het werk.’
    Het lijkt alsof ik naar de nagels van iemand anders kijk. Ze zijn kort en onbedoeld hoekig. Moeders kunnen het altijd beter.

    Ik loop de sigarenwinkel onder mijn kamer binnen. Nu ik een vaste roker ben, ben ik ook een vaste klant. Eerst was ik daar trots op, maar toen mijn huisgenoot vertelde dat ze van onder de toonbank ook vlindermessen en pepperspray verkopen, miste ik toch even de veilige Primera in Makkinga. Op een kruk achter de kassa zit de eigenaresse, een vrouw van in de zestig met make-up van een meisje van zestien. Vroeger werkte ze al in deze buurt, dat weet ik zeker, maar haar leeftijd bracht een carrièreswitch met zich mee. Alleen hier in de winkel kijken de mannen nog naar haar.
    ‘Goedemorgen,’ zegt ze.
    Het voelt vertrouwd, alsof de toonbank onze ontbijttafel is en ze iedere ochtend op mij wacht. ‘Hoi,’ groet ik terug. ‘Een pakje Pall Mall alstublieft.’

    Ze draait zich om naar de sigarettenmuur en gaat met haar wijsvinger langs de pakjes. Bij Pall Mall haalt ze er één uit en schuift het naar mij toe. Dat zou mijn moeder dan weer nooit hebben gedaan.

    Ik was veertien en koos voor schaar. Alsof ze dat hadden afgesproken, koos de rest voor steen. Aan mij de taak om het pakje te halen.
    In Makkinga waren er twee plekken waar dat kon, de C1000 en de Primera. Bij de C1000 werkte de zus van Rik als caissière, dus hij dwong mij naar de Primera te gaan, een sigarenzaak gecombineerd met een postkantoor.
    Het belletje van de deur haalde het meisje achter de toonbank niet uit haar verveling. Ze draaide een pluk van haar blonde, steile haar om haar vingers, alsof ze liever krullen wilde, en las in een tijdschrift dat voor haar lag. Mijn stem hoorde ze ook niet.
    ‘Eén pakje sigaretten alstublieft,’ herhaalde ik, dit keer iets harder. Een zweetdruppeltje gleed vanuit mijn nek, langs mijn ruggenwervels, tot in de stof van mijn onderbroek.
    Het meisje keek op en vroeg welk merk ik dan moest hebben. Daarna keek ze weer in haar tijdschrift.
    Ik probeerde langs haar heen te kijken, naar de namen op de sigarettenpakjes. Ze stonden er niet duidelijk op en de rare leeshouding van het meisje blokkeerde mijn zicht. Nog voor ze uit zichzelf zou opkijken, viel mijn oog op een pakje met grote letters.
    ‘Pall.’
    ‘Mall,’ antwoordde ze en pakte het sigarettenpakje uit het rek. Ik hield mijn hand al op, maar voor ik hem kon sluiten trok ze het pakje terug.
    ‘Hoe oud ben je eigenlijk?’
    Ik antwoordde zoals alle jongens van veertien deden: ‘Zestien.’
    De sigaretten nam ik de volgende dag mee naar het bosje naast het schoolplein, waar ik samen met mijn stoere klasgenootjes een kringetje vormde. Eén Pall Mall-sigaret ging rond. Wanneer je een trekje kon nemen zonder te hoesten, was je dé man. Moest je hoesten, dan was je een watje. Het was bijna net zo belangrijk als onze piemelvergelijking onder de douches na de gymles.

    Buiten steek ik mijn ochtendsigaret op. Bij het uitblazen van de eerste rook hoest ik. Nog steeds doet iedere sigaret mij aan mijn klasgenoten denken.
    Met de fiets aan mijn hand loop ik eerst de kleine steegjes door. Toeristen en andere dagjesmensen krioelen zoals pissebedden dat doen onder een opgetilde steen. Een paar vrouwen tikken tegen hun raam als ik langsloop. Eerst liep ik door, nu glimlach ik beleefd. Ik bloos nog wel.
    Ik heb haast, de stoplichten niet. Fietsers schieten mij voorbij – ik blijf als een labrador braaf voor de streep wachten. Het stoplicht springt op groen en ik zet mijn voeten op de trappers. Auto’s en een tram halen mij in. Ik wil ze volgen, de bocht om, maar vergeet de tramrails – mijn stuur werkt niet meer mee. Ik knijp mijn ogen dicht. Niemand wil getuige zijn van zijn eigen val.

    Een oude vrouw buigt zich over mij heen, ze draagt hetzelfde luchtje als mijn moeder. Ik weet niet of dat de enige reden is voor mijn vreemde verlangen haar te omhelzen.
    ‘Beter opletten knul,’ zegt ze.
    Ze trekt mij met één hand, knijpend in mijn arm, omhoog. Mijn moeder zou door mijn haar woelen en mijn wang aaien.
    ‘De stad is niet voor watjes,’ zegt ze en ze pakt haar boodschappentas weer van de grond.

    Na mijn hoorcollege Inleiding in de rechtswetenschap vermijd ik bochten en stoplichten. Met mijn fiets naast mij loop ik van de universiteit naar huis. De zon schijnt, niemand zegt goedemiddag. Wel kloppen twee vrouwen tegen hun raam. Ik sluit ze buiten door de voordeur achter mij dicht te doen. Helaas is het betalen van huur niet genoeg om je opgelucht of thuis te voelen.
    Ik gooi mijn tas op het bed en haal mijn telefoon uit mijn broekzak. We bellen elke dag één keer, meestal om vier uur. Dat had ik zelf voorgesteld, ik ben er nu niet meer bij tijdens het theedrinken. ‘Dag jongetje,’ zegt mijn moeder nadat haar telefoon vijf keer is overgegaan.
    ‘Hoi mam.’
    ‘We hadden vanmorgen toch al gebeld?’
    ‘Weet ik.’
    ‘Lieverd, ik -’
    ‘Ik ben gevallen,’ onderbreek ik haar.
    ‘Hard?’
    ‘Een beetje.’
    ‘Er was toch wel iemand bij?’
    ‘Ja, een mevrouw.’
    ‘Fijn.’
    We blijven allebei even stil.
    ‘Hoe is het met Katja?’ vraag ik dan.
    ‘Goed, goed,’ antwoordt ze. ‘Lieverd, ik moet nu gaan, de kat zeurt om eten. Ik spreek je morgen weer!’
    Door de indringende pieptoon hang ik ook op. Ik knijp mijn ogen dicht.
    ‘Rotkat.’

    Boodschappen doe ik bij de Albert Heijn, twee straten verderop. In het nauwe steegje schuin tegenover mijn huis is het rustig. Zoals in een woonwijk in Almere zijn hier ’s avonds de meeste gordijnen gesloten. Verderop kijkt een vrouw op haar telefoon. Ze zit op een hoge kruk achter haar raam dat openstaat, verwelkomend als een kerkdeur. Ze houdt een onaangestoken sigaret vast. Ik kijk terwijl ik langs haar loop. Door het licht van de telefoon maken haar lange wimpers scherpe schaduwen op haar gezicht.
    Ze kijkt op, de schaduwen verdwijnen. Vlug kijk ik weer voor me.
    ‘Dag jongetje,’ zegt ze.
    Zonder te blozen draai ik me om.
    Ze houdt haar sigaret omhoog. ‘Vuurtje?’
    Met mijn rechterhand voel ik in mijn jaszak en loop naar haar toe. Eén meter voor het raam blijf ik staan. Ik steek mijn arm uit, de aansteker in mijn handpalm. Als ze zich voorover buigt, kan ze er nét bij.
    ‘Kom maar dichterbij, hoor.’ Ze lacht, het klinkt een beetje hees. Ik glimlach en doe één stap naar voren. Ze zwaait het lange raam, dat ook als deur fungeert, verder open en pakt mijn aansteker.
    Ik ruik limoen zoals limoen alleen ruikt in schoonmaakmiddel. De vrouw loopt naar een klein keukentje aan de andere kant van het kamertje. Het is niet groter dan mijn speelgoedkeuken van vroeger. Ze gebruikt mijn aansteker om het ene gaspitje aan te zetten.
    Ik zet mijn voet op de drempel. Buiten staan voelt nu onbeleefd.
    ‘Wil je ook thee?’
    Haar vingers rusten op het handvat van de theepot.
    ‘Oké, graag.’
    Ze klemt de sigaret tussen haar lippen en steekt hem aan. Ze loopt weer naar mij toe en geeft de aansteker terug. Ik stop hem in mijn broekzak en kijk haar aan. De glimlach blijft op haar gezicht staan.
    Als in een reflex steek ik mijn arm uit, mijn vingers houd ik vlak voor haar gezicht.
    ‘Wat vindt u van mijn nagels?’
    Ze kijkt.
    ‘Kom,’ zegt ze dan en trekt mij aan mijn hand naar het bed. Het plastic van het matras kraakt. Uit haar tas haalt ze een nagelvijl. ‘Vingers rond, tenen recht.’
    Ze gaat naast mij zitten en begint bij mijn duim.

  • Of gewoon niet

    Met dit verhaal won Pim de derde prijs bij Write Now! Amsterdam 2014.

    Ik heb altijd al een rijke fantasie gehad en droomde over de meest onmogelijke dingen. Ik droomde over jou.

    ‘Daar maak je iemand vast heel blij mee,’ lachte de man vanachter de zojuist gekochte zonnebloemen naast mij. Hij knikte naar de Amsterdamse bloemist, die al fluitend de stelen van een van de twintig bijzonder lange rozen bijwerkte. Ik had mij laten vertellen dat ze speciaal geïmporteerd waren, waardoor ze ook een speciale behandeling nodig hadden. Alleen de speciale prijs werd verzwegen. Verlegen glimlachte ik naar de zonnebloemen. De Amsterdamse bloemist draaide zich naar ons om: ‘Precies’, zei hij en keek naar mij. Onwetend vervolgde hij: ‘En mochten de speciale rozen dat niet doen, dan wordt het meisje vast heel blij van deze jongen hier.’

    Met die gedachte gaf ik een uur later de daklozenkrantverkoopster bij het station een bos bijzonder lange rozen. Kort daarna belde ik met lege handen aan.

    In Spanje worden jongens door hun vader meegenomen naar de hoeren. Daar, in het bordeel, worden ze ontmaagd, en man. Mijn buurjongen kreeg, tijdens de buurtbarbecue, van zijn vader een biertje en de woorden ‘als jij dit opdrinkt, ben je een echte man’. In de film die ik vannacht keek, hielp een vader zijn zoon met scheren. Hij zei tegen zijn zoon dat alle vaders dat doen en dat de donshaartjes, die samen met het stromende water de gootsteen in verdwenen, het kind met zich meenamen. Mijn beste vriend kreeg, bij de ontmoeting van het eerste vriendinnetje met de vader, condooms in zijn handen gedrukt. De condooms vervulden dezelfde functie als het bier en de donshaartjes.

    Hij was nieuwsgierig en wilde daarom alles over mij weten. Als we in bed lagen stelde hij vragen. Met andere jongens neukte ik, met hem beantwoordde ik vragen. We deelden meer dan alleen lakens. Ik wisselde zijn vragen soms af door ook een vraag te stellen, maar verder dan lievelingskleuren en hobby’s durfde ik niet te gaan.

    Ik stelde ook geen vragen om antwoord te krijgen. Ik stel dan namelijk altijd vragen waarop ik het antwoord eigenlijk niet wil weten. Daarom bleef ik op het veilige gebied van mooie jeugdherinneringen of het meest lekkere eten. Tot hij, na zijn vraag over mijn angsten, tegen mij zei: ‘Je maakt me nieuwsgierig.’ Hij vertelde mij dat hij ieder plekje van mijn lichaam wilde kussen en net zolang met mij in bed wilde liggen tot de laatste vraag gesteld was. Hij sprak niet over het daarna. Dus vroeg ik hem: ‘Hoelang blijf jij nog nieuwsgierig naar mij?’ In tegenstelling tot bij de vraag over wat hij het liefste at, gaf hij geen antwoord.

    Mijn vader nam mij niet mee naar de hoeren. Het rode pluche van de muren en het plastieken dekbedovertrek ken ik alleen van de films. Nooit heb ik een bordeel van binnen gezien. Mijn vader vertelde niet hoe een scheermesje werkt op mijn wangen en dat de adamsappel het grootste obstakel is voor de man. Bloed en tranen heeft het mij gekost om mijn eigen techniek te vinden. Mijn eerste biertje kocht ik stiekem als veertienjarige, met zakgeld gekregen van mijn vader. Dat dan weer wel. Condooms zijn mij nooit gegeven, waaraan ik het uitblijven van mijn ontmaagding verweet.

    Ik gaf mijn verliefd zijn niet toe, al schreef ik ieder gedicht over hem. In collegeblokken, verstopt tussen de aantekeningen, op elke pagina minstens vier zinnen. Op boodschappenlijstjes, onder het rijtje ‘eieren – brood – melk – lekkers’. Op treinkaartjes, naar hem toe en van hem af. Zorgvuldig zodat de stations nog net te lezen waren voor de conducteur. In alle boeken die ik las, omdat het onderwerp van mijn gedichten mijn aandacht eerder trok dan het onderwerp van de boeken. Op servetten in restaurants, die ik vaak toch niet gebruikte voor de vetresten in mijn mondhoeken. Liefde stilt de honger.

    Ondanks de hoeveelheid gedichten heeft hij er hoogstens drie gelezen. Ik liet de gedichten aan niemand lezen, waar zijn verschijning de oorzaak van was. Hij is de angst van elke schrijver. Wanneer ‘houden van’ je liefde niet meer omvat, verlangen een te klein gegeven is voor de begeerte die je voelt en er in het hele woordenboek niet genoeg superlatieven zijn gegeven om hem te verwoorden, is het onmogelijk te schrijven over dat wat je bedoelt. Maakt mij dat een slecht schrijver of hem onbeschrijflijk bijzonder?

    De eerste zinnen van een gedicht die ik hem liet lezen schreef ik op de achterkant van een supermarktbonnetje.

    ´Heerlijk deze wijn. Moët?’
    ‘Aldi.’
    Na drie glazen wijn proefde hij het verschil niet meer. ‘Laat eens wat lezen.’
    Ik gaf hem het bonnetje en hij las:

    Ik heb een hekel aan de zon, mijn moeder, de wekker, het licht, de haan, mijn biologische klok
    door het ontwaken,
    door het wakker worden,
    uit het mooiere leven,
    uit mijn dromen, beter gecast dan Titanic
    – want jij in de hoofdrol.

    ‘Mooi.’

    Geen prostitutiebezoekjes, geen eerste biertjes of condooms en ook geen scheertechniek van vader op zoon. Mijn vader deed dat allemaal niet. Hij keek hoe ik mij ’s ochtends stond te scheren, de door mijzelf aangeleerde techniek. Hij keek toen ik mijn eerste vriendje mee naar huis nam, maar zei of gaf niets. Ik voelde de ogen van mijn vader in mijn rug prikken toen ik zelf mijn biertje uit de koelkast pakte en dat leegdronk. Hij was erbij toen ik mijn zwemdiploma kreeg en bij het in ontvangst nemen van mijn middelbareschooldiploma zat hij in de zaal en keek. Mijn vader keek toe terwijl ik mijn keuzes maakte en beslissingen nam. Hij aanschouwde de fouten die ik maakte en zag ook hoe ik daar zelf mijn oplossingen voor verzon.

    Ik bewandelde mijn eigen pad, gevolgd door mijn stilzwijgende vader. Hij zei niets, mijn vader keek alleen.

    ‘Zwanen zijn altijd met z´n tweeën.’
    De mooiste jongen wijst in de richting van de vijver waarin twee zwanen kalm op het water drijven. ‘Zodra één van hen doodgaat of gewoon weggaat,’ zegt hij met zachte stem, ‘blijft de ander verdrietig en voor altijd alleen.’
    Ik staar naar de twee zwanen en wens dat ze tegelijk doodgaan. Of gewoon niet.

    Naast de vijver delen we een parkbankje en drinken samen uit één pak wijn. Niet uit praktische overwegingen, in mijn tas zit namelijk nog een pak dat straks zal worden opengemaakt. We delen het pak omdat ik dat wil. Thuis drinken we ook maar uit één glas. Ik zeg dat dat beter is voor de hoeveelheid afwas, die zich langzaam opstapelt wanneer de lakens weer eens aantrekkelijker zijn. Bij onze ontbijtjes liggen de broodjes op één bord. Ons bord. En bij het opdienen van soep is er maar één lepel die we kunnen gebruiken. Al komt dat omdat ik de rest van het bestek had verstopt. In de bioscoopzaal, met een keuze uit tweehonderd identieke stoelen, kiezen we altijd maar één stoel, in plaats van twee. Daarop zitten we, hij bij mij op schoot. In de pauze van de film delen we een sigaret, aangestoken met onze aansteker en bij het naar huis gaan delen we de paraplu. De waterstralen tijdens het douchen, de handdoek na het douchen. Het boek waaruit ik voorlees voordat we gaan slapen. Ons bed waarop we slapen, de lakens en het kussen daarvan. Zodra we alle kleine dingen delen, zullen de grote dingen vanzelf komen.

    Hij wilde er niet over praten en daarom drukte ik de borstels waarmee we onze tanden poetsen, in elkaar en legde ze weer terug op de wastafel.

    Terwijl ik mijn zelfgekozen pad bewandel, voel ik mij veilig. Wanneer ik mijn ogen sluit zal ik mijn vader zien, dat weet ik. Zwijgend, met zijn blik op mij gericht. Zijn ogen vervuld van trots zoals alleen een vader dat kan zijn. Zijn ogen hebben mij nooit losgelaten. Ze hielden mij in de gaten bij alles wat ik deed. Onder zijn toeziend oog groeide ik op. Mijn vader keek alleen en ik werd volwassen.
    Mijn vader heeft een man van mij gemaakt.

    Vroeger wilde ik hetero zijn, vertel ik de mooiste jongen na de laatste vraag die over mijn jongensdromen ging. Zoals mijn buurjongetje eens in politie-uniform over straat zou rondlopen, zo was ik vastbesloten om later hetero te worden. Dat ik de lat hoog had gelegd, kwam niet bij mij op. Mijn moeder had gezegd dat ik alles kon bereiken, zolang ik het maar wilde. Stiekem wilde zij het zelf ook. De meester had ook gezegd dat ik later alles kon worden, maar stelde dan als voorwaarde dat ik mijn rekensommen moest maken.
    Hij moet lachen. ‘Om hetero te zijn moet je aan twee voorwaarden voldoen. Je moet mannelijk zijn en je moet van borsten houden. Je mist alle twee: mannelijkheid is je antoniem en de enige borsten die je aangeraakt hebt zijn die van je moeder. Als hetero had je heel iemand anders moeten zijn.’
    ‘Precies,’ antwoord ik. ‘Precies daarom.’
    Eigenlijk wil ik het nog steeds, maar dat zeg ik niet.
    ‘Eenzaam wezen,’ zegt hij met spottende stem. Niet lang daarna hoor ik zijn voetstappen zich van mij verwijderen. Gevolgd door de klap van de deur.

    Terwijl ik naar de dichtgeslagen deur kijk moet ik denken aan de zwanen in de vijver. Of de vijver de komende jaren maar één zwaan zal hebben of dat ze nog naast elkaar drijven. Ik pak mijn telefoon en toets het nummer van mijn vader in. ‘Ik ben verdrietig,’ zeg ik, zonder mijn naam te noemen. Het blijft stil. Dat vaders soms niet weten wat ze moeten zeggen, is mijn manier om zijn stiltes te rechtvaardigen.

    ‘Verdomme, papa. Soms moet je wel iets zeggen.’

  • Ontwerp en uitwerking door: August van de Ven